Diverse malen werden we vanuit de lucht door Engelse vliegtuigen beschoten
De onvergetelijke reis van Lien Bakhuizen.

Op een zeer koude winterdag in januari 1945 (het klinkt als een sprookje, maar dat was het allesbehalve) nam ik afscheid van mijn ouders en mijn zusje in Den Haag, om te trachten in het oosten van Nederland voedsel te ruilen tegen o.a. kinderkleertjes en zeep, dat zeer schaars was en waarvan mijn moeder wonder boven wonder wel wat kon missen. De bedoeling was, dat ik op de heenweg mee zou rijden tot Zwolle, in de cabine van een vrachtauto. De fiets kon achterop. De terugweg zou ik dan alleen ondernemen.

De avond vr mijn vertrek meldde zich een kennisje (een jaar of 10 ouder dan ik), die wel meewilde. Omdat zij er in de cabine niet bij kon moest de chauffeur van de vrachtauto worden afgezegd en zouden wij dus de heen- en terugreis fietsend afleggen. Mijn ouders blij. (Die hadden trouwens binnen het uur al spijt, dat ze mij hadden laten gaan).

De eerste etappe reden we tot Amersfoort, waar we bij een onbekende familie mochten overnachten. De heer des huizes was ziek en we hebben met z'n allen in n kamer (dr brandde alleen de kachel) de avond doorgebracht.

De volgende dag kwamen we tot Zwolle. De tocht werd voortdurend onderbroken omdat we vanuit de lucht werden beschoten en in de berm moesten vluchten, met de fiets op ons ter bescherming. In Zwolle woonde een vroegere buurvrouw, die ons n nacht onderdak verleende en een maaltijd serveerde.

Dag drie ging richting Ommen. Er lag enorm veel sneeuw en het was zeer koud. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik alleen maar over eten kan spreken, maar in Ommen kon je zomaar, gewoon in een caf, een uitsmijter bestellen. Niet te geloven. Toen ik er n met twee eitjes op had, durfde ik bijna niet te vragen of ik een tweede kon krijgen. Ja hoor, zelfs al zou ik er nog n willen en dat wilde ik dus. Kunt u zich een voorstelling maken van iemand, die heel lang bijna geen voedsel heeft gehad en die dan plotseling zes eieren tot zich neemt? Ik kan u verzekeren dat dit erg is.

Lien Bakhuizen, op 20 jarige leeftijd in 1946.

Lien Bakhuizen, op 20 jarige leeftijd in 1946.

We vonden die nacht onderdak in een boerderij, waar ik de hele nacht doorbracht, buiten, in het kleine huisje met het uitgesneden hartje. En koud dat het was. En als u nu dacht, dat ik het spekpannenkoeken-ontbijt aan mijn neus voorbij liet gaan, hebt u het mis. Met alle nare gevolgen van dien.

Inmiddels hadden we al wat rogge op de kop kunnen tikken. De sneeuw bleef liggen en de fietspaden werden toen nog niet zo goed sneeuwvrij gemaakt. De keren, dat ik met fiets en al onderuitging, zijn niet aan twee handen te tellen.

Volgende dag richting Hardenberg. Van boerderij tot boerderij om te trachten wat spullen te ruilen. In Hardenberg werden we door het Rode Kruis opgevangen. In een grote zaal waren daar Limburgse evacus, die hun huizen hadden moeten verlaten en dus in zeer droevige stemming waren. Zij kregen hutspot als avondeten, maar hadden weinig eetlust. Ik des te meer. Wij mochten, als er iets overbleef, aanvallen. Gelukkig was dit het geval en de Limburgers keken hun ogen uit toen ik achter elkaar drie opgehoopte borden hutspot naar binnen werkte. Ze wisten echt niet wat ze zagen.

De volgende dag ging het richting Coevorden. Van Coevorden zelf kan ik me niets meer herinneren. Wel, dat we van boerderij naar boerderij trokken in hoge sneeuwhopen, om voedsel te verzamelen. Ik heb zelfs ergens een lief springend konijntje moeten aanwijzen, waarvan de nek werd omgedraaid en aan mijn stuur werd gehangen. De bagagedragertassen werden steeds zwaarder en blijkbaar waren de spullen niet goed verdeeld en dus waren de glijpartijen weer schering en inslag. Het was tobben.

Twee weken zijn we totaal onderweg geweest. De terugweg was ook niet mis. Diverse malen werden we vanuit de lucht door Engelse vliegtuigen beschoten en moesten met fiets en al in de berm duiken.


Lien Bakhuizen, een 20 jarige dappere dame.

Lien Bakhuizen, vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Toen we na de barre fietstocht op de grens van Voorburg en Den Haag aankwamen, werden we door Duitse soldaten gecontroleerd. Er werd flink gesnuffeld en aan de fles olie, waar ik zo blij mee was, geroken. En ja hoor, ik moest die fles en een pakje boter afgeven. Ik kon wel huilen, maar deed dat niet.

Al mijn moed verzamelend zei ik, dat ik de Ortskommandant wilde spreken en het dan aan hem zou overhandigen. (Ik had een paar meter verderop een paar meisje zien staan, die blijkbaar met die Duitsers scharrelden en waar mijn met moeite vergaarde spullen dan wel heen zouden gaan en dacht dat nooit). En wat denkt u, ik mocht doorrijden.

Thuis werd ik met open armen ontvangen. Precies op tijd, want we moesten om acht uur binnen zijn.

De chauffeur, van de aan het begin van mijn verhaal genoemde vrachtauto, heeft zijn bestemming nooit bereikt. Een voltreffer vanuit de lucht is dwars door de cabine gevlogen. Daar had ik dus naast kunnen zitten. Van dit moment af geloof ik, dat men niet voor zijn tijd gaat.


Last update: 14-02-2007 by www.herdenking.nl