Evacuees in Coevorden tijdens WWII.
Het verhaal van Jan Thomasse.


Amsterdam - Winter 1945

Het is het vijfde oorlogsjaar. De oorlog loopt naar het eind. In het Westen van ons land is gebrek aan alles, maar vooral aan voedsel en verwarming. Sinds maanden is er geen elektrische stroom en gas en geen openbaar vervoer. De riolering functioneert niet meer, waardoor er voor elk huis in de bestrating diepe gaten vallen waarin het rioolvocht zich ophoopt. Huisvuil - voorzover dat er nog is - wordt niet meer opgehaald en ligt in hopen op straat te rotten. Alleen de waterleiding werkt nog.

Ik woon met mijn ouders in Amsterdam. Als vijftienjarige heb ik als opgroeiend kin recht op een iets ruimer rantsoen, maar in de praktijk krijg ik op mijn bonnen niet meer dan een volwassene. In Maart 1945 is dat nog geen 500 kcal per dag, een vijfde van de minimale dagbehoefte van 2500 kcal. Omdat we geen geld hebben om op de zwarte markt te kopen, moeten we leven van wat er op de bonnen te krijgen is en van wat ik bij boeren in de polders rondom de stad aan eetbaars weet los te praten. Maar omdat velen dat doen, is het resultaat mager, terwijl je ook moet oppassen dat de Landwacht het beetje dat je op de kop tikt, niet in beslag neemt. Via een kerkelijke instantie heb ik één, later twee adressen van families, waar ik een keer in de 's avonds mee mag eten. Ook op school wordt af en toe iets extra's verstrekt: in januari appels, begin maart een blikje sardines. Vanaf 17 maart is er op de onverwarmde school af en toe een warme maaltijd te krijgen, meestal bereid met suikerbieten in plaats van aardappelen.

Ik zit in de eindexamenklas van de HBS, maar van schoolgaan komt nauwelijks iets terecht. Na de verlengde kerstvakantie hebben we - wegens kolengebrek - maar enkele ochtenden of middagen school. Maar als er eten of hout moet worden georganiseerd of in de rij moet worden gestaan voor het een of ander, gaat dat natuurlijk voor het schoolgaan. De paasvakantie wordt vervroegd en begint al op 14 maart. Volgens plan moet de school op 9 april weer beginnen.

In februari en in maart krijgt de bevolking in de hongerprovincies enkele keren via het Rode Kruis een heel Zweeds wittebrood en een pakje margarine uitgedeeld. Het is voor ons een niet meer gekende lekkernij, ten zeerste gewaardeerd, maar eigenlijk een druppel op de gloeiende plaat. Veel schoolkinderen worden in verband met de voedselsituatie uitgezonden nar het Oosten en Noorden van het land, meestal naar onbekende families die voor de rest van de oorlog de zorg van het kind overnemen.(Na de oorlog zal blijken dat meer dan 50.000 kinderen uit het Westen iin deze hongerperiode op het platteland werden ondergebracht!)

Ook ik ben in januari al aangemeld voor zo'n uitzending, maar transportmiddelen zijn schaars en jongere kinderen schijnen voorrang te krijgen. Het distributierantsoen is inmiddels nog maar een half brood en één kilo aardappelen of drie kilo suikerbieten per week. En dan komt op 27 maart om één uur 's middags bij ons thuis plotseling de boodschap, dat ik vier uur later kan vertrekken met een kindertransport naar Drenthe! In tegenstelling tot de officiële kinderuitzendingen, die meestal door de Kerken zijn opgezet, is dit transport zelfstandig georganiseerd door het bedrijf waar mijn vader werkt. Omdat dit als een sociaal-democratische instelling onder N.S.B.-beheer is gesteld, vragen mijn ouders zich af of dit wel een betrouwbare zaak kan zijn. Maar de "goed", anti-Duitse personeelschef verzekert hen, dat dit wel het geval is. En omdat de nood erg hoog is, vertrek ik die dag dus naar Coevorden.


27 maart 1945

In verband met vliegtuigaanvallen, die tegenwoordig elke dag plaatsvinden, zullen we 's nachts reizen. We moeten kleren, twee maaltijden, wat geld en onze distributiebonkaarten meenemen. De bonkaarten "vergeet" ik, zodat mijn ouders die kunnen gebruiken. Zij zullen ze hard nodig hebben.

Ik neem afscheid van mijn moeder en loop met mijn rieten koffertje in een klein uur naar het punt van vertrek, het Hekelveld, waar ik mijn vader tref. Wij zullen reizen met een open vrachtauto met houtgasgenerator. De met een zeil afgedekte laadbak is voorzien van provisorische banken. Een leidster met achttien kinderen zullen de reis gaan maken. Het zijn merendeels meisjes van zo tussen de zes en tien jaar oud. Er is nog één jongen van mijn leeftijd: Kees de Gier. De wegbrengende ouders wordt nogmaals verzekerd dat deze kinderuitzending echt in vertrouwde handen is.

Als wij om half zeven eindelijk wegrijden is het afscheid hartverscheurend; twee kinderen worden op het laatste ogenblik teruggenomen en gaan niet mee. In de laadbak is geen licht en we schuiven het dekzeil wat weg. We rijden door het Gooi en over de Veluwe. Het is prachtig weer en in de nacht is het niet echt donker. Maar op den duur wordt het wel erg koud en we kruipen dicht tegen elkaar aan, vooral de kleintjes zijn erg verdrietig. Om de haverklap stoppen we voor Duitse militaire controles of voor het opstoken of bijvullen van de houtgasgenerator. Soms staan we een tijd stil omdat er niet genoeg gas wordt geproduceerd.De leidster verdwijnt al gauw naar de chauffeurscabine, zodat het troosten en zoethouden van de kinderen op Kees en mij neerkomt.

Op 1 maart werd door de Duitse bezetter de zogenaamde "IJsselsperre" ingesteld, waardoor het onmogelijk werd om de IJssel zonder goede papieren te passeren. Gelukkig ben ik nog net onder de leeftijd waarop jongens en mannen door de Duitsers worden opgepakt om verplicht voor hen te werken. Bij de IJsselbrug - het is twee uur in de nacht - moeten we allemaal uit de auto, die van binnen en buiten geheel wordt geinspecteerd. Ons aantal wordt vergeleken met de gegevens op de "Ausweis" van de leidster. Als grote jongens krijgen Kees en ik bijzondere aandacht van de Landwachters en Duitse wachtposten. Maar wij komen er allen zonder kleerscheuren door.

Coevorden - woensdag 28 maart.

Als het licht wordt, rijden we langs een kanaal. Het weer is inmiddels wat betrokken; overal roken er schoorstenen en het ruikt er naar verbrande turf. Om kwart voor zeven 's morgens rijden we Coevorden binnen. Daar blijken we niet te worden verwacht. Er staat geen ontvangstcomité klaar en onze leidster wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Niemand wil ons blijkbaar verder helpen.

Na wat wachten worden wij ondergebracht in een Rode Kruispost (Later blijkt dit het Sint Anthoniusgebouw te zijn, dat vol zit met gevluchte N.S.B.-ers). Het is er vol met mensen. We zijn nauwelijks binnen en hebben een plaatsje gevonden in een gang op de verdieping, of met gierend lawaai doen duikbommenwerpers een aanval op de stad. Zij komen nog een keer terug met hetzelfde geweld. Hun doel is gelukkig niet ons verblijf maar het nabijgelegen station. Wij allen liggen in de gang op de grond, de glasscherven van de gesprongen ruiten vliegen over ons heen en tussen ons in. De kinderen schreeuwen om hun moeder. Samen met de zusters van het huis krijgen we ze stil maar voor hen staat inmiddels één ding vast: ze willen naar huis terug. De leidster besluit aldus, ook al omdat er geen pleegouders zijn. 's Avonds zullen ze met dezelfde auto weer naar Amsterdam terugkeren.

Kees de Gier en ik denken er echter anders over. Het rantsoen voor een hele week hadden wij op reis meegekregen en inmiddels opgegeten, thuis is er voor ons geen eten meer! Wij besluiten in Coevorden te blijven, er moeten dus voor ons pleegfamilies worden gezocht. Maar eerst kopen we bij een boer buiten Coevorden voor ons van huis meegekregen tientje een half mud aardappelen om die aan onze chauffeur mee te geven voor aflevering bij onze ouders (Later zal ik horen dat ze deze nooit ontvangen hebben). Het is blijkbaar moeilijk om voor ons onderdak te vinden, er lijkt niet echt te worden meegewerkt. Het is al het eind van de middag als we uiteindelijk worden afgehaald. Kees de Gier gaat naar een boer op de weg naar Schoonebeek en ik naar een boerengezin aan het Picardiëkanaal.

Ik heb het gevoel daar niet echt hartelijk welkom te zijn. Het lijkt alsof mijn verblijf de familie min of meer is opgedrongen. Ik krijg een plaatsje in de paardenstal, waar ik zelf van strobalen een hutje maak. Met wat paardedekens uit de stal zal dat als mijn nachtverblijf dienst gaan doen. Omdat ik geen kast of zoiets heb om mijn spullen in op te bergen, haal ik alleen het hoognodige uit mijn koffer, mijn pak van surrogaattextiel met m'n eerste lange broek hang ik zo netjes mogelijk op. Direct daarna aan tafel, waar ik mag eten zoveel ik wil van het zware en vette eten.

Ik krijg nog geen hoogte van het gezin dat naar mij toe weinig spraakzaam is en dat, behalve de boer en zijn vrouw, uit meerdere zoons schijnt te bestaan. Niet allen zijn echter aanwezig. De boer vraagt mij of mijn vader ook in de N.S.B. of W.A. zit en op dat moment is mij alles opeens duidelijk: wij zijn bij onze aankomst die dag vast en zeker aangezien voor een transport N.S.B.-kinderen, dat in Coevorden maar in eigen kring moest worden opgevangen.

Op de boer z'n vraag antwoord ik dat ik kom uit een gezin, dat niets op heeft met de gedachten van de N.S.B. en van de Duitsers en dat ik hoop op een spoedig einde van de oorlog. Ik verzwijg dat ik twee avonden tevoren in Amsterdam nog illegaal werk had gedaan. Sinds eind 1944, tot aan mijn overhaast vertrek eergisteren, bezorgde ik samen met een vriend bijna elke avond voor het ingaan van de spertijd een illegale krant bij een veerigtal goede vaderlanders in onze buurt.

Donderdag 29 maart

Het eten bekomt mij slecht, ik heb een forse diarrhee die niet lijkt op te houden. Dat komt waarschijnlijk door de abrupte overgang van een hongerrantsoentje naar stevige en vette maaltijden van peulvruchten, vet spek, pap en zwart roggebrood.

Voorgaande zomervakanties heb ik op het boerenland doorgebracht en de boer daarbij een handje geholpen. Ik ben dus niet helemaal onbekend met het boerenwerk. Ook hier bied ik mijn hulp aan maar er is voor mij op dit moment niets te doen. Door mijn toestand zou ik ook niet tot veel in staat zijn. Ik breng overdag tijd door in mijn slaaphut in de paardestal.

Ik schrijf een korte brief naar mijn ouders met wederwaardigheden en mijn adres en breng die in de stad naar het postkantoor (Door het gebrekkige en later geheel gestoorde postverkeer zal die brief mijn ouders nooit bereiken).

Vrijdag 30 maart

Vandaag is het Goede Vrijdag. Het is mooi weer en massa's bommenwerpers trekken over, richting Duitsland De hele dag door zijn er veel jachtvliegtuigen in de lucht. Zij jagen en schieten op alles wat op de grond beweegt. Ook over het kanaal bij ons voor de deur scheren Engelse jagers laag over het water op zoek naar scheepvaart, die zich overigens overdag niet laat zien. Van Duitse afweer hiertegen is nergens sprake.
Het blijkt dat de meeste boeren niet op het land werken omdat ze dan de kans lopen daar beschoten te worden. Ze moeten trouwens ook niet met hun gespan op de weg komen, want dan wordt het al gauw door de Duitsers gevorderd. Vanwege het beschietingsgevaar komt het vee ook niet buiten en staat op stal.

Ik hoor hier in huis geen nieuwsberichten maar uit allerlei dingen kun je merken dat de oorlog onze kant uitkomt. Ik weet dat de Geallieerden onder Arnhem over de Rijn zijn en hoop dat ze nu haast maken met de bevrijding van heel Nederland. Naar het schijnt zijn er op de wegen bij Coevorden veel Duitse troepen die naar het Noorden trekken. Op de Esschenbruggerdijk, die wij vanuit onze boerderij kunnen zien, is het tamelijk rustig. In Coevorden zelf is een lazarett en zijn er nog veel Duitse soldaten.

Zaterdag 31 maart 1945.

Het weer is betrokken en er staat veel wind. Wederom trekken er eindeloos veel vliegtuigen over, die we dan wel niet zien, maar ze terdege horen. Een koe moet worden gedekt bij een boer aan de weg naar Schoonebeek. Ik loop met de boer (en de koe) mee, misschien zie ik mijn reisgenoot wel. Maar dat is niet het geval. Al zijn ze wel in de lucht, de jachtvliegers laten ons met rust. We komen weer heelhuids thuis. Eén van de zoons is 's nachts vaak niet thuis; hij doet een bewakingsdienst voor de gemeente (?).

Zondag 1 april

Eerste Paasdag. Ik ga met de boer en zijn vrouw en twee zoons naar de kerk. Tot mijn verbazing is dat niet de Hervormde kerk in de stad. De N.S.B.-ers hebben hier een eigen kerk en een eigen dominee. Zij houden de kerdienst in de raadzaal van het stadhuis. Er zijn redelijk veel toehoorders, die na afloop de situatie bepraten. Wij gaan al gauw weer naar huis. We wonen nogal afgelegen en zijn de enige boerderij aan het pad langs het kanaal, dat bij de grens is gesperd. Normaal komt niemand langs deze weg, of hij moet hier zijn.
Vannacht moet de klok een uur vooruit: zomertijd.

Maandag 2 april

Langs het pad naar onze boerderij staan twee betonnen bunkers. Ze zijn er in 1940 gezet door het Nederlandse leger. De naar Duitsland gerichte schietopeningen zijn later door de Duitsers dichtgemetseld. Coevorder burgers worden nu gedwongen deze schietgaten weer open te hakken. Komen onze bevrijders dan uit het Oosten?

Het is regenachtig weer en dan schuilen de mensen bij ons op de deel en ligt het werk stil. Je merkt dat ze zich bij ons niet thuis voelen, ze willen ook met mij geen gesprek aangaan.
's Avonds komen er vanuit Duitsland ongeregelde groepen Duitse soldaten bij ons voorbij, de meesten lopend. Een groep blijft bij ons overnachten.

Dinsdag 3 april

Bij het opstaan zijn de soldaten al vertrokken, evenals de zijden spek, die aan de zolder hingen. Van je vrienden moet het maar hebben!
Behalve het werk aan de bunkers worden er langs het kanaalpad nu ook mangaten gegraven, zodiep dat je er rechtop in kunt staan. De jachtvliegers zijn ook deze dag weer actief. Wij horen en zien regelmatig aanvallen op de stad en ook hebben ze de bunkers langs het kanaal ontdekt. Bij ons op de deel wordt nu behalve tegen regenbuien ook geschuild tegen de vliegtuigen. Er werken duidelijk minder mensen dan gisteren. Het is guur en wat mistroostig weer.

Ook overdag komen nu steeds grotere aantallen Duitse soldaten langs. Ze lopen langs het kanaalpad, omdat daarlangs op veel plaatsen bomen staan die hun wat dekking geven. De meesten trekken voorbij, sommigen stoppen even bij ons. Vaak vragen zij dan eten of drinken en, als zij bereden zijn, voer voor hun paarden. Zolang zij hun zin krijgen zijn ze niet onaardig. Ze zien er erg vermoeid uit, maar worden kennelijk opgejaagd.

En dan komt er een groep, die de boerderij doorloopt en vervolgens van de boer paard en wagen vordert. Gezegd wordt, dat na een dagreis en na een nieuwe vordering de voerman weer met zijn paard en wagen naar huis kan. Tegensputteren helpt niet; een zoon vertrekt met het gespan.

Woensdag 4 april

Het is koud weer. Ik heb nog steeds diarrhee. De hele dag door zijn er weer jagers in de lucht en zijn er aanvallen op de stad. Er komen nog veel soldaten langs, maar nu minder geregeld en in kleinere groepen of alleen. Zij fietsen of lopen en vervoeren hun spullen in boerenkarren, kinderwagens en kruiwagens. Er komen ook meer Volkssturmsoldaten langs, oude mannen, vaak in hun eentje. Een oude man is bij ons binnen en ik betrap me erop dat ik medelijden voel als ik zijn geheel kapotgelopen voeten zie. Hij was met nieuwe, niet-ingelopen schoenen op mars gestuurd.

's Avonds komt de zoon terug, zoals te verwachten zonder paard en wagen. Hij was gewoon aan de kant gezet en kon terug lopen. Het is duidelijk dat de bevrijding nabij is!

Donderdag 5 april

Het is bewolkt en wat regenachtig weer. Vergeleken met de drukte van de vorige dagen is het aan het begin van de dag buiten opvallend stil. Toch schijnen de Duitsers zich klaar te maken voor actie, die kennelijk vanuit Duitsland komend wordt verwacht. We zien Duitse soldaten lopen met mitrailleurs en ander schietgerei. De schietgaten in de bunkers zijn nog niet open, ze zijn dus niet bruikbaar. Er wordt ook niet meer aan gewerkt.

Rond het middaguur zijn een paar soldaten bezig met het ondermijnen van de kanaalbrug in de Schoonebekerweg, die even later met een zachte knal wordt opgeblazen. Om vijf over een loeit bij de grens een sirene: het gaat beginnen!

Vanuit Duitsland wordt geschutsvuur hoorbaar, dat dichterbij komt. Duitse soldaten met mitrailleurs verschijnen bij onze boerderij om zich daar in te graven. De boer besluit met ons het huis te verlaten. Het vuur komt nu snel dichterbij en ons rest amper tijd om nog iets uit huis mee te nemen. Ik haal nog mijn half-ingepakte koffer en gebukt en in ganzenpas lopen we in de onderwal van het kanaalpad richting grens.

Over onze hoofden vliegt lichtspoormunitie. De Engelsen (red:canadezen) zijn dus al in ons land op de Esschenbruggerdijk! We weten niet of de kogels voor ons zijn bestemd of voor een doel aan de overkant van het kanaal. We passeren de grens langs de deels weggehaalde versperring. Het schieten gebeurt nu alleen nog achter ons en dan, met een paar enorme dreunen, horen we de Bentheimerbrug de lucht in vliegen.

We bereiken al gauw een grote boerderij langs het kanaal op Duits gebied. Van lakens is een grote witte vlag gemaakt die buiten hangt. Het is nog steeds bewolkt en regenachtig. Binnen in de schuur zijn veel mensen; kennelijk verblijven er meerdere gezinnen. Vanuit Coevorden horen we nog kanon- en mittrailleurvuur, dat overigens snel afneemt. De boer ter plaatse heeft voorzichtig poolshoogte genomen en meldt ons wat verbaasd, dat de Tommies uit de richting van Laar zijn gekomen.

's Nachts salpen we met een heel gezelschap in de schuur, op het stro, met de kleren aan, onder paardedekens. Naast mij ligt een meisje, iets ouder dan ik, dat uit Oost-Pruisen is gevlucht voor Russische troepen uit. Zij spreekt hoogduits en is heel bank voor wat komen gaat. Ik lach haar uit als ze mij zegt te weten, dat negersoldaten van de Tommies bij Duitse vrouwen de vingers afsnijden om hun gouden ringen te bemachtigen. Gruwelpropaganda!

Hoewel het buiten rustig is, komt er door vooral bij de Duitsers merkbare spanning en onzekerheid niet veel van slapen.

Vrijdag 6 april

Op de Schoonebekerweg en bij het Douanekantoor tref ik de eerste Tommies, het blijken Canadezen te zijn. Ze zijn vriendelijk maar nu meer bezig met zichzelf, wassen, eten klaarmaken and so on. Daar hoor ik ook dat er bij de gevechten gisteren twee Canadezen gesneuveld zijn door een Pantzerfaust.

Er wordt hard gewerkt aan het slaan van een hulpbrug, de Canadezen van de Royal Engineers hebben dat materiaal allemaal bij zich. Je staat versteld van de rijkdom van dit leger, letterlijk alles hebben ze voorhanden. Later komen er nieuwe troepen aan over de Esschenbruggerdijk. Alle zijn gemotoriseerd en behalve met oorlogstuig zijn nogal wat vrachtwagens geladen met meubilair en kasten met kleding, dat wel eens van onze Oosterburen afkomstig zou kunnen zijn. Sommige wagens vervoeren levende kippen en ander kleinvee; ettelijke kippen zie ik geslacht en gebraden worden. Wat mij ook opvalt is het gemak waarmee dingen uit de overvloed wordt weggegooid, de wegberm ligt bezaaid met halfvolle en lege flessen en conservenblikken en vooral benzineblikken, die jerrycans worden genoemd. Een uitvinding vind ik het gedroogde eipoeder, waar omeletten mee worden gebakken en dat ik voor het eerst zie gebruiken.

Onverwacht ontmoet ik mijn reisgenoot; ook hij is bij een N.S.B.-gezin terecht gekomen. We zijn het al gauw eens dat met deze snelle opmars de bevrijding van heel Nederland nu aanstaande is. We besluiten dan ook nog diezelfde dag achter de Canadese troepen aan op stap te gaan naar huis, naar Amsterdam. Ik ga weer terug naar onze Duitse gastheer, neem daar afscheid en vertrek met mijn halfvolle koffertje.

De Bentheimerbrug is weer begaanbaar en de Canadese tanks zijn nu ook in de feestelijk vlaggende stad, die we verlaten via de Krimweg. Ik heb nog steeds last van diarrhee en maak daarom dankbaar gebruik van de keurig met bordjes aangegeven Deckungslocher in de wegberm.

We komen die dag niet ver. Het loopt al tegen de avond en overal staan mensen langs de weg. Zo ook in Krimkanaal, waar een man ons aanspreekt en eten en overnachting aanbiedt. Het is een weduwnaar of vrijgezel, want na het avondeten vertrekt zijn huishoudster en zijn we met hem alleen. Het is een prachtige avond en we zitten buiten tot er twee mannen met een armband aankomen. Ze zeggen dat het hun spijt maar dat ze opdracht hebben onze gastheer op te halen en op te sluiten. Deze wijst ons slaapplaats en het eten voor de volgende ochtend en gaat met de mannen mee. Opvallend hierbij is de gemoedelijke sfeer.

Dedemsvaart/Balkbrug/Amsterdam 7 april t/m 12 juni.

Vol goede moed en met mooi weer gaan wij op weg langs het kanaal maar helaas: bij de brug over de Lutterhoofdwijk langs de Dedemsvaart bij de watertoren worden wij tegengehouden door Canadezen in enkele pantserwagens. De afgelopen nacht zijn Duitse soldaten teruggekomen en hebben een moordpartij gehouden onder de feestvierende burgers van Dedemsvaart. Eerst rond het middaguur mogen wij door, maar wij beseffen door dit voorval, dat we een vlotte thuisreis wel kunnen vergeten.

Via enkele dominees krijgen we onderdak bij een onderwijzersfamilie in Dedemsvaart. Wij hebben het daar goed. Op het gemeentehuis haal ik als evacuee een nood-distributiekaart, want vele zaken zijn nog op de bon. Wat later verhuis ik naar het gezin van een schoolhofd in Sponturfwijk/Balkbrug. Hier word ik opgenomen en verzorgd als een eigen kind. Na een bezoek aan de dokter, een broomdrank en een recept voor echte beschuit verdwijnt mijn diarrhee. Gezorgd wordt ook voor aanvullende kleding; ik had immers nauwelijks meer kleren aan dan ik aanhad.

Op 16 en 17 mei worden in Balkbrug bevrijdingsfeesten gevierd. Samen met de zoon des huizes en zijn vrienden beleef ik de machtige eerste weken van de bevrijdingstijd. Ik ben deze familie uiterst dankbaar voor hun goede zorgen (Tot aan het recente overlijden van mijn pleegmoeder hadden wij regelmatig contact).

Na de Duitse capitulatie kan ik via het Rode Kruis een kort bericht van 25 woorden sturen naar mijn ouders. Het is het eerste wat ze van mij vernemen na mijn vertrek eind maart. Een paar weken later hoor ik langs dezelfde weg dat ook zij de hongerwinter hebben overleefd.

Ondanks de goede zorgen wil ik toch wel naar huis. Naar het Westen geldt eerst een algemeen reisverbod, vanaf 1 juni mag het alleen met een speciale vergunnning. Toch waag ik het zonder: op 12 juni vertrek ik om zes uur met de fiets naar Zwolle en smokkel mij tussen de andere mensen aan boord op de boot naar Amsterdam. 's Avonds om acht uur sta ik dan onverwacht bij mijn ouders voor de deur.

Ik ben weer thuis!


Anerveen, oktober 1994 door Hans Roest.

Uit Coevorden bevrijd. 5 en 6 april 1945.

Met dank aan: Johan Deij, Harm (Ab) Holman, Jan Kuipers, Bertha en Albert Lefferts, Hendrik Plasman, Gosse C. Smit, Gemeente Archief Coevorden en Gemeente Museum Drenthe's Veste te Coevorden, Jan Thomasse en het Rijks Archief Drenthe (Assen) voor hun bijdragen van tekst en foto's.

Last update: 26-08-2007 by www.herdenking.nl